net als Andy Warhol vraag ik mij af hoe andere mensen toch kunnen eten en praten tegelijkertijd zonder er belachelijk uit te zien. Het is net als neuken en telefoneren tegelijkertijd...de gezichten die we dan trekken.
Maar daar gaat dit verhaal helemaal niet over. Het gaat meer over die dekselse mossel. Deze linkerd ontglipte de mal van de maatschappij door zich in zijn eigen ik te gieten. Anderen en soortgenoten delen met hem de anti-zee. Hij is volmaakt. De mossel is zijn eigen mal. Hij zou zichzelf kunnen afgieten in zijn eigen schelp. IK besta, anders dan de mossel, juist uit allerlei restruimtes.
Mijn oude huis van drie verdiepingen had, inelkaar gestort, nog maar een hoogte van zo'n anderhalf meter. Huizen, net als de levens die erin geleefd worden, bestaan grotendeels uit ruimte. Het zijn de ruimtes die ertoe doen, meer dan de stenen die de ruimtes afbakenen.
Ruimtes in mijn leven kunnen allerlei vormen aannemen. Het is het schijnbaar eindeloze wachten op iemand die te laat is. Het is die dagdroom die ik me later niet meer kan herinneren. het is de naam van die ene acteur uit die ene film met die dinges waar ik niet op kan komen. Het is geen leegte, maar een restruimte van iets anders, die zelf betekenis krijgt of iets oproept.
Deze ruimte kan ik ook vinden in een gedicht. De witregel is niet alleen een pauze voordat de volgende regel zich aandient, maar een ruimte waarin ik als lezer mijn eigen gedachten de vrije loop kan laten gaan voordat het gedicht mij weer op een zeker pad zet.
De foto 'Leap into the Void' van Yves Klein speelt met verschillende ruimtes. Het is een fotomontage waarop je hem ziet duiken in de lucht, vanaf een heel laag muurtje. Hij duikt gracieus alsof hij op een vijftien meter hoge duikplank stond. De ruimte tussen hem en de grond is te krap. Hij zal op een verschrikkelijke manier neerstorten, hij zal zijn tanden en de rest breken. 'Hij gaat zijn nek breken' denk ik wanneer ik hem daar zo in de lucht ziet hangen, totdat ik mij realiseer dat hij er eeuwig zal blijven hangen. Hij laat iets zien van de aard van de fotografie: het stollen van tijd en ruimte. Tegelijkertijd lijkt hij daar met zijn duikvlucht aan te willen ontsnappen. Hij hangt in een ruimte tussen wat hij wil en wat hij uitbeeldt in.
Noch mijn hand, noch de vorm die mijn hand achterlaat is van belang. In de ruimte rondom het kunstwerk, of tussen de regels door, ontstaat het kunstwerk en het gedicht pas echt.
Mijn hand zet vijf vingers in het gips
en wanneer ik mijn hand terug wil
nemen als woorden waar ik spijt
van heb zijn de stenen vingers
van een ander die me wijzen
op de afstand tussen mij
en dit gedicht dat ik je geef.
donderdag 11 december 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten