Goede schrijvers schrijven. Slechte schrijvers schrijven taal. Ze verzamelen woorden, rukken zich erop af en stellen de resulterende brij tentoon. Ze schrijven niet voor lezers. Ze schrijven voor schrijvers. Althans, dat hopen ze.
Taal is een gereedschap, niet meer of niet minder. Vooral niet meer! Als lezer heb ik geen interesse in taal. Ik lees geen taal, ik lees dankzij taal. Door middel van de taal. Ik wil dwars door de taal heen aangesproken worden door een idee, een beeld, een gevoel... Ik wil een verse brok denk - of voelvoer krijgen, een stevige mentale stelling waarop ik vervolgens zelf naar eigen goeddunken kan beginnen te wankelen.
Als ik televisie kijk zit ik toch ook niet naar het scherm zelf te kijken? Ik kijk naar het beeld dat erdoorheen geblazen wordt. Ik wil informatie krijgen, ontroerd, verrast, ja eventueel zelfs irritatie opwekken door wat mij wordt voorgeschoteld. Maar niet door de ruis op het scherm. Op precies dezelfde manier is taal een doorgeefluik, een dienaar van communicatie.
Als ik schrijf moet ik taal genadeloos buigen rond het idee dat ik wil uitdrukken. Ik moet haar onderwerpen, gebruiken. Er mee experimenteren, maar niet verheerlijken, er niet op geilen.
Taal fungeert als een lens. De achterliggende boodschap moet er dan ook zo perfect mogelijk door in beeld gebracht worden, zo intens mogelijk versterkt. Zo nauwkeurig mogelijk scherp gesteld. En dus moet de lens helder zijn. Of het nu om een handleiding gaat, een krantenartikel, een reclame slogan, een column of een gedicht, dat doet niets terzake. Al naar gelang het soort tekst zal een andere lens ingezet worden: een iets boller exemplaar, of een sterk subjectief gekleurd exemplaar, of een zeer ironisch geslepen exemplaar, maar in elk geval een zuiver exemplaar.
Ik probeer dus voortaan gewoon te schrijven wat ik te zeggen heb. Slijp als een vakman aan mijn beeld tot het scherper, mooier, nieuwer, harder, treffender, groter, kleiner...wordt. Maar ik maak het beeld niet moeilijker, vervuil het niet met literair gedoe.
Als lezer wil ik geen code ontcijferen, ik wil lezen. De taal moet het liefst zo nauwgezet gepolijst worden dat ze als het ware zelf uit het zicht verdwijnt. Zoals een televisiescherm verdwijnt. Of een brilglas. Je kijkt tenslotte ook alleen maar naar die dingen wanneer ze niet goed werken of vuil zijn. Het achterliggende beeld zelf moet ook licht geven, anders is het gehele schrijfsel al bij voorbaat een volstrekt zinloze operatie. Evenmin mag de taal als een vettige film over het oorspronkelijke beeld gaan liggen.
Toch liep het ontzettend vaak fout. Talrijk zijn de voorbeelden waarbij ik op irritante en vermoeiende wijze uitpakte met de taal zelf. Waarbij ik allerlei extatische taalkunstjes opvoerde als een soort literaire masturbatie. Hoeveel dichters wentelen zich niet zo blind en zelfgenoegzaam in "taligheid" dat ze er tenslotte zelf hopeloos in verstrikt geraken? En hun lezers helaas vlotjes met hen. Ook ik stak kostbare tijd en energie in het bevlekken van een - in het beste geval - goed idee. Ik ging op zoek naar de meest exotische termen, de meest bizarre beelden en de meest onmogelijke zinsconstructies, in de idiote illusie dat dit egodansje met de taal dan wel onvermijdelijk in 'grote dichtkunst' zou uitmonden. Niet dus. Integendeel, ik schreef mij steevast steeds verder weg van wat ik eigenlijk wilde zeggen. Ik riep met elk woord: "Kijk, kijk wat ik kan!" En niemand keek. En al de anderen vielen in slaap na gemiddeld de tweede zin. Dan kan ik de lezer beter vragen om gewoon zijn ogen dicht te doen. Veel doeltreffender.
Begrijp mij niet verkeerd. Dit is geen pleidooi voor zo gewoon mogelijk schrijven, of voor zoiets als zuinigheid of soberheid. Een goede tekst kan net zo goed scherp zijn als zacht, koel als flamboyant, zuinig als overvloedig...Het is fantastisch wanneer bijvoorbeeld een ietwat bevreemde woordcombinatie bij mij meteen een hele trein aan associaties op gang brengt. Als schrijver moet ik mij onderscheiden door een geraffineerd en zeer persoonlijk gebruik van taal. Dat spreekt voor zich. Daar ligt mijn talent, daar raakt mijn vakmanschap mijn verlangen.
Kill my darlings dus. Als een goed schrijver moet ik tegelijk overgevoelig en bikkelhard zijn. Ik moet op zoek gaan naar de meest scherpe woordcombinaties, maar tegelijkertijd zo streng zijn om ze enkel in te zetten wanneer ze de onderliggende boodschap beter overbrengen dan de eventuele 'gewonere' varianten. En niet de minste afbreuk doen aan de leesbaarheid van het beeld.
Schrijven is een drang, voor mij, en dat klopt volgens velen. Maar goed schrijven is een opdracht. Ik moet niet met een tekst verleiden, maar erdoorheen. Ik moet de taal zich niet laten aanstellen. Het gaat niet om de taal, het gaat om het idee erachter, om de emotie eronder. Taal is een gereedchap, geen doel.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten